Opgelet, blauwe kots
Gelukkig zonder prentje, deze keer
AI can’t make this shit up
door Tseu
“Zeg. Als copywriter, zijt gij niet bang dat AI uw job zal afpakken?”
— nonkel Karel, elk familiefeest
Toegegeven, ik snap het. Te pas en te onpas worden we overspoeld met wat AI kan en zal kunnen, met de dreigende toon van een zombie takeover die achter de hoek loert. Ik heb niet onder een steen geleefd: ‘t zou naïef zijn om te denken dat AI geen rol speelt. Voor de meeste doeleinden is goed genoeg ook gewoon goed genoeg. Dat is fine. Maar ik denk dat ik ook kan spreken voor de meeste copywriters onder ons, dat we die AI-vragen beu zijn. Ik slaap nog altijd best goed, wetende dat een GPT mijn woorden nog niet kan overtreffen.
Ik geef even een voorbeeld. Zo heb ik aan onze vriend gevraagd:
Waarop die vol zelfvertrouwen antwoordde:
Plausibel en redelijk. Echt, ik zou het bijna geloven. Ik doe even een tegenvoorstel op de vraag “Hoe verliep jouw eerste bevalling.” (Spoiler: ik heb wél tijd doorgebracht in een verloskamer.)
Het was muisstil. Die cliché kreet uit de films, die bleef uit. Zelfs in mijn mistige waas besefte ik dat er iets goed mis was. Geen “Proficiat, het is een zoon!” of “Goed gedaan, het is voorbij!” of… ja, wat zeggen mensen tegenwoordig tegen een vrouw die net een zuignap, een schaar en een mens in haar heeft gehad. De vroedvrouw legde het bloederige hoopje rimpels vastberaden op mijn borst. “Dat zal hem wakker maken”, glimlachte ze stijfjes. Hij is er. Hij is echt. Maar dat gezicht… had ik nu net een reïncarnatie van mijn vader gebaard ? Die onvervalste, norse frons. Da’s mijn vader. “Ik moet overgeven. Haal hem weg”, fluisterde ik. “Huid-op-huid contact is goed voor de baby”, suste de vroedvrouw. “Haal. Hem. Weg”, siste ik. Mijn man wist dat het menens was. Hij had nog net tijd om met zijn hand mijn vader, euh zoon, af te schermen. Ik spoot volatiel de blauwe Aquarius terug de wereld in die ik in mij had gegoten tijdens de weeën. Recht in het gezicht van de vroedvrouw. Ik bood geen excuses. “We nemen hem even mee om hem verder te onderzoeken”, zei de kinderarts plots in mijn gezicht, alsof ik hardhorig was. Voorzichtig haalde ze het wezentje van mijn borst. Nooit een goed teken wanneer dokters overlijk articuleren. Het wezentje werd in een couveuse in allerijl weggerold. Ik was leeg geperst en leeg gekotst, leeg van alles. Ik probeerde rechtop te komen, waarna het bed een slagje naar beneden dook. Een oorverdovende metalen knal volgde.
Fast forward: mijn zoon doet het goed hoor. Hij moest even bekomen van de wereld — fair enough, denk ik dan. Het is hier niet altijd even fijn. Het hoopje rimpels heeft zich intussen opgevuld tot een goedlachs, guitig kind.
Chat, Claude, Gemini — ze zijn goed in wat ze doen. Een grijze, gemiddelde kots produceren van al wat er al was. Maar helaas (of gelukkig?) kan je sommige dingen gewoon niet verzinnen als taalgenerator. Blauwe Aquariuskots, bijvoorbeeld. Wanneer mensen woorden vragen van mij, zeg ik niet uniek, out-of-the-box, voor elk wat wils. Ik zeg dingen als “Is mijn placenta nu op de grond gevallen?” en dat is wat mij mens maakt.
Popcultuur door een roosgroene bril
door Sio
Vorig jaar ging ik in de cinema naar Wicked kijken. Ik was toen zodanig onder de indruk dat ik twee weken later nog eens ging. En dus zat ik vorige week, zodra het vervolg op het grote doek verscheen, vol verwachting op post. (Nacho’s met kaassaus inclusief, want laat ons eerlijk zijn, da’s de enige goede reden om nog naar de Kinepolis te gaan.)
Ben ik ergens fan van, dan maak ik daar nadien een tijdlang mijn hele persoonlijkheid van. En dat is na Wicked: For Good niet anders. De overdramatische choreo! De roze baljurken! Ariana Grande en Cynthia Erivo die de pannen van het dak zingen! En dan heb ik nog niets gezegd over Jonathan Bailey, onlangs gekroond tot Sexiest Man Alive.
Maar wat ik het strafste vind, is en blijft de storytelling. Wicked weeft thema’s, motieven en karakterbogen aan elkaar tot ge niet meer weet of ge naar een musical kijkt of in een bijzonder extravagante therapiesessie zit. Tegen het einde kwamen de zakdoekjes alleszins van pas.
Van dat soort narratieve vakmanschap krijg ik het als copywriter spontaan lekker warm. De manier waarop één subtiel zinnetje uit de eerste film plots een heel andere lading krijgt in deel twee. (Om maar wat te noemen: Elphaba die Fiyero afwijst met een “Get stuffed”. Pijnlijk grappig. Of was het eerder grappig pijnlijk?)
Hoe een liedje niet alleen extreem catchy is, maar ook een mini-essay over identiteit, loyaliteit of het grote gelijk. En hoe ze er telkens opnieuw in slagen om uw sympathie te laten verschuiven — van begrip naar verontwaardiging en weer terug. Over elke lijn in het script, elke kleurkeuze en elk stuk decor is nagedacht
En dat is eraan te voelen. Dat maakt het niet alleen entertainend, maar ook… Geruststellend? Alsof er ergens op deze chaotische aardbol toch nog schrijvers slash mensen bestaan die wél exact weten wat ze aan het doen zijn. Als ik daar een paar uur lang in mag geloven, dan noem ik dat pure luxe.
Copy gespot in het wild
Eindelijk een tuinlamp die omvalt tussen mijn planten! En trendy én uniek, op de koop toe. Het gerief staat goedkoop vandaag, en de copy precies ook. Maar we kunnen ons er wel lekker vrolijk over maken. Schitterend!
Van schitterend gesproken. De kleine lettertjes hier lezen: “We know what it can take to make a family. So we made fertility care for the future of yours.” Dat, en die “appointments, disappointments”. Hartje.
Wat we ons nog afvroegen
Jill wist het niet, dus ze vroeg het aan Emma.
Antwoord: “Wat maakt een vraag existentieel? Bij mij is dat nu ‘hoeveel spaghetti is te veel?’ Bij iemand anders gaat het waarschijnlijk dieper.”
Kijk, soms hebben wij ook meer vragen dan antwoorden.
Graag geschreven,
Tseu, Sio en Jill









